Roodsnaveltok

 
Latijnse benaming :Tockus erythrorhynchus damarensis 

Ondersoorten

 

man

 

 

vrouw zwartmasker

 Beschrijving :

Deze vogel heeft een lengte van ongeveer 35 centimeter. Het midden van de kop naar de nek toe is donkergrijs. De nek en het gezicht zijn wit en de plekken bij het oor zijn ook wit. De rug is roestachtig bruin, dat steeds donkerder wordt naar de staart toe. De vleugels zijn zwart met wit gevlekt. Ook de gehele buik is wit. De staart is zwart en de buitenste staartveren zijn gedeeltelijk wit. De snavel is rood met een zwart randje op de ondersnavel. De oogring is huidkleurig en de ogen zijn bruin. Ook de poten en voeten zijn bruin.

 

Geslachtsonderscheid :

Het vrouwtje is kleiner dan het mannetje en de zwarte vlek op de ondersnavel is veel kleiner.

 

 Afmetingen & gewicht :
Man :  Vrouw : 
  
vleugels : 186 – 203 mm.vleugels : 181 – 186 mm.
staart : 190 – 212 mm.  staart : 175 – 195 mm.
snavel : 83 – 99 mm. snavel : 73 – 77 mm.
gewicht : 200 – 220 gr. gewicht : 150 – 200 gr.
  

                                                   

Verspreidingsgebied :

Deze ondersoort komt voor in Namibië in Damaraland, in het noorden van Namibië en de centrale hooglanden.

 

 Natuurlijke leefomgeving :

Ze leven in open savannes, beboste gebieden en in doornstruiken. Ze schijnen erg dol te zijn op de Acacia. Ook vinden we deze soort wel eens terug langs de oevers van rivieren.

 

Voeding in gevangenschap :

Nog in bewerking

 

 Natuurlijke voeding :

Ze wroeten in de grond op zoek naar voedsel. Dit bestaat voornamelijk uit dierlijk voedsel zoals kevers, larven, sprinkhanen, termieten, mieren, mierenleeuwen, vlinders, krekels, schorpioenen, duizendpoten, gekko’s, eieren en nestvogeltjes. Af en toe worden er ook fruit en zaden gegeten.

Broedresultaten :

Broedverslag Antje Hiemstra

 

 Broeden en levenscyclus :

De roodsnaveltok heeft een aantal ondersoorten en de soort die bij deze stichting zit ( tockus erythrorhynchus damarensis ) leeft eigenlijk maar in een gebied / land en dat is in Namibië in Damaraland, in het noorden van Namibië en de centrale hooglanden. Hier broeden ze in de maanden februari en maart. De broedduur duurt 65 tot 99 dagen. De tijd dat het vrouwtje op het nest zit voordat de eieren duurt 3 tot 24 dagen. De broedperiode is 23 tot 25 dagen en de nestperiode die daarop volgt is 39 tot  50 dagen. Er worden in 2 tot 7 eieren gelegd met een gemiddelde van 3 tot 5 eieren. Deze worden gelegd met tussenperiodes van 1 tot 6 dagen; deze tussenposen worden langer naarmate het aantal eieren stijgt. De eieren zijn wit van kleur met een geputte schaal.

Ze broeden in een natuurlijk hol in een boom, maar ook worden wel eens oude spechtenholten gebruikt en zelfs oude, holle bijenkorven worden gebruikt. Het nest zit op 3,2 meter boven de grond. Het vrouwtje ondergaat een eclipsrui in het nest, die begint bij het leggen van het eerste ei en ongeveer tegen de tijd dat het vrouwtje uit het nest komt is deze compleet. De jongen worden kaal, blind en roze van kleur geboren. Het verenpak begint zich te ontwikkelen met een leeftijd van 5 dagen en de ogen gaan open met een leeftijd van 7 dagen. De poten zijn al volledig volgroeit met de leeftijd van 15 dagen, wat het jong al snel de kans geeft om zich in het nest voort te bewegen. Het vrouwtje verlaat het nest als het oudste jong 21 a 22 dagen oud is. De jongste is dan soms nog maar rond de 13 dagen oud. De jongen maken zelf het nest weer dicht met uitwerpselen en voedselresten. Tegen de tijd dat de jongen het nest uit komen kunnen ze direct goed vliegen en ze komen ook niet meer terug bij het nest. De eerste dagen blijven ze nog wel in de buurt. De jongen worden door de ouders gevoerd tot ze 6 weken oud zijn, maar ze kunnen dan wel al zichzelf voorzien van voedsel. Ze blijven wel bij de ouders tot ze ongeveer 6 maanden oud zijn en helpen ook met het verdedigen van het territorium. Ze beginnen zelf al met broeden in het eerst volgende seizoen nadat ze uitgevlogen zijn.

Ondersoorten:

            

  

 

 

Roodsnaveltokjes komen voor in drie verschillende ondersoorten.

Zie de tekeningen hierboven.

Van de Noordafrikaanse tokken komt ook nog regelmatig een soort voor met een zwart masker en bruine ogen .

In West Tanzania komt dan nog een ondersoort voor met zwart masker en gele ogen.